Duo Desimpelaere


Je omschrijft je keuze voor de contrabas als ‘een onstuimige passie’. Wat moeten we ons daarbij voorstellen?
Op negenjarige leeftijd ontdekte ik de contrabas en gedurende de veertien jaar dat ik ondertussen speel, is mijn passie voor het instrument steeds blijven groeien. Ik probeer het maximale uit mijn instrument te halen op gebied van techniek, virtuositeit en muzikaliteit. Verbetering is altijd mogelijk. Dat parcours en die ingesteldheid zorgen ervoor dat ik als contrabassist nooit mijn enthousiasme voor het spelen zal verliezen. En dat is onstuimige passie: niet te stuiten.

Hoe klinkt jouw definitie van een rasechte fuif?
Een uitvoering van Brahms 2de symfonie onder leiding van Valery Gergiev.

Heb je als broers voordelen bij het vormen van een duo?
Het is om te beginnen praktisch om samen te repeteren, vooral omdat we nog in hetzelfde huis wonen. Bovendien kan je op muzikaal gebied enorm veeleisend zijn voor elkaar en dit ook ‘direct’ communiceren aangezien we elkaar door en door kennen. Dit zorgt soms voor enige ophef tijdens een repetitie maar het is wel de meest efficiënte manier van werken.

Hoe ziet een doorsnee dag er voor jou uit?
’s Ochtends vertrek ik met de trein naar Brussel om te repeteren met Brussels Philharmonic in Flagey. Wanneer ik thuiskom (meestal in de vroege namiddag) vul ik de rest van de dag in met zelfstudie, vaak solorepertoire voor contrabas. Naast het studeren en het orkest speel ik regelmatig jazz en kamermuziekconcerten met verschillende bezettingen, dus gelukkig kan ik nauwelijks spreken van een doorsnee dag. De variatie aan muziekstijlen, bezettingen, mensen en concerten maakt het beroep gevarieerd en boeiend.

Heb je nog passies buiten de muziek?
Sport: ik speel tennis en squash. Ik kan het misschien niet echt een passie noemen maar ik voel wel vaak de nood om muziek te kunnen afwisselen met sport.

Wat is de meest welluidende muzieknoot?
Op mijn contrabas is dit de ‘la’. Dat is geen toeval: strijkinstrumenten hebben op deze toonhoogte vaak een wolfstoon (een noot waarbij de snaar onregelmatig trilt en dus ‘zwevend’ klinkt). Omdat er een open snaar ‘la’ is, wordt de onregelmatigheid van de trilling tenietgedaan. Het komt erop neer dat de open snaar meetrilt wanneer je de wolfsnoot ‘la’ indrukt. Hierdoor krijg je het tegenovergesteld effect en kan de ‘wolfsnoot’  juist beter resoneren.

Is muziek voor jou een vorm van filosoferen?
Neen, ik ben eerder een intuïtieve muzikant: ik vind het als solist vooral belangrijk om een emotie naar het publiek over te brengen. Ik denk enkel na over de structuur van een muziekstuk, over fraseringen en voor de rest speel ik naar mijn gevoel.

Heb je eisen in de liefde die gelinkt zijn aan muziek?
Niet echt. Maar een interessant gesprek over een muzikaal thema is altijd leuk.

Wat heb je aan je ouders te danken?
Mijn beide ouders zijn geen professionele muzikanten. Het was dus niet zo’n evidente keuze om na de middelbare school verder te gaan met conservatoriumstudies. Het feit dat ik de kans van mijn ouders toch kreeg, betekent dat ze in mij geloven. Hiervoor ben ik hen zeer dankbaar. Tot op vandaag: de inzet die ze tonen om mijn muzikale carrière te lanceren kent zo goed als geen grenzen.

Op welk moment besefte je dat je jeugd voorbij was?
Toen ik mijn studies aan het conservatorium van Brussel begon en toen me geleidelijk aan duidelijk werd dat de muziekwereld een  harde wereld is. De opbouw van een muzikale carrière verloopt niet zonder zorgen omdat er vandaag jammer genoeg weinig plaats is voor professionele muzikanten in de huidige samenleving.

Wat heeft spelen bij Brussels Philharmonic je tot dusver bijgebracht?
In januari vorig jaar won ik de auditie ‘aanvoerder contrabas’ bij Brussels Philharmonic en ik begon er te werken in augustus 2014. Het voelt fantastisch om als 23-jarige een bassectie te mogen aanvoeren op zo’n hoog niveau en de ervaring die ik er opdoe als orkestbassist is van niet te onderschatten waarde. Het geeft vleugels, want ik merk dat ik zowel nationaal als internationaal meer gerespecteerd word als contrabassist. 

Waarom blijf je terugkeren naar Harelbeke?
Als muzikant moet je veel reizen. Maar vanaf mijn studieperiode aan de ‘Guildhall School of Music and Drama’ in Londen tot op vandaag heb ik mij gerealiseerd dat ik graag terugkom naar Harelbeke en omstreken, wellicht omdat alles hier zeer vertrouwd aanvoelt. Ik probeer dat vertrouwde gevoel te rijmen met nieuwe indrukken.

Hoe was je als kind? En waarin verschilt het kind van de volwassene die je vandaag bent?
Ik was en ben nog altijd een doorzetter, ga geen uitdagingen uit de weg. Ik was soms wat te naïef maar probeerde altijd het hoogst haalbare te bereiken. Vandaag ben ik nog steeds positief ingesteld.

Wat was je duurste aankoop tot dusver in je leven?
In juli volgde ik een masterclass in Zwitserland bij de contrabaslegende Franco Petracchi. Hij vertelde me dat de Italiaanse ‘Maestro Liutaio’ Marco Nolli al verschillende instrumenten voor hem had gebouwd en stelde voor dat ik een van zijn instrumenten zou uitproberen in Cremona. Een week later trok ik naar Italië en keerde terug met een fenomenaal instrument van Marco Nolli. Mijn duurste en beste aankoop tot nu toe. Zonder twijfel!

Welke dromen streef je na binnen de klassieke muziek?
De meeste mensen kennen de contrabas als een instrument dat ergens achteraan in het orkest wordt bespeeld, ter ondersteuning van andere instrumenten. Ik ben ervan overtuigd dat een contrabas ook als solistisch instrument overeind blijft. De technische complexiteit bij solistisch spel op contrabas zie ik niet als een beperking maar als een uitdaging. Ik hoop steeds meer kansen te krijgen om de muzikale mogelijkheden van mijn instrument te laten horen aan een breed publiek. De realisatie van de CD ‘Reflections on a song’ met Belgische kamermuziek voor contrabas en piano, die ik opnam samen met mijn broer Erik, was een belangrijke stap en is een fantastisch visitekaartje om die ambitie waar te maken.